maandag 19 juni 2017

1.1.1.1. Aldous Huxley, Het menselijk bestaan (1959)



1.1.1. Johanna Kint, Expo 58 als belichaming van het humanistisch modernisme →

Johanna Kint ziet in de Wereldtentoonstelling van 1958 een opflakkering van de optimistische vooruitgangsideologie, die het nog één keer haalt van het defaitisme na de Tweede Wereldoorlog (mét Shoah en atoombom) en van de verontrustende dystopieën van onder meer Aldous Huxley en George Orwell. In 1959 zette Huxley in een reeks lezingen voor de Santa Barbara-universiteit van Californië zijn sombere prognoses op een rijtje.

Aldous Huxley, Het menselijk bestaan (1959)

De lezing van 9 maart 1959 gaat over de bevolkingsexplosie, die zich toen volop begon af te tekenen. Bij het begin van onze tijdrekening waren er ongeveer 250 miljoen mensen. Dat aantal bleef lange tijd stabiel. Er waren zelfs terugvallen, bijvoorbeeld door de pest. Na 1600 jaar was de wereldbevolking nauwelijks verdubbeld. Door de industrialisatie, de toegenomen voedselbevoorrading en de verbetering van de hygiënische omstandigheden begon de groei exponentieel toe te nemen. Bij het begin van de 20ste eeuw waren er 1,5 miljard mensen, en terwijl Huxley zijn lezing schrijft, zijn er 2,8. Hij verwacht dat dat aantal binnen de halve eeuw nog eens zal verdubbelen – wij weten dat hij de snelheid van de bevolkingstoename heeft onderschat.

Bij een ongewijzigd landbouwrendement, weet Huxley, zal de overbevolking onvermijdelijk tot grote problemen leiden: conflicten en epidemieën. De natuur zal, zoals ze dat altijd doet, bij een te grote verstoring van het evenwicht, het evenwicht herstellen. Tenzij de mens ingrijpt. Meer landbouwproductie is geen optie: de bevolking neemt te snel toe – run and stand still – en bovendien ontbreekt het de meeste landen aan het nodige kapitaal en geschoolde mankracht. Streven naar geboortebeperking is een andere mogelijkheid. Maar helaas, aldus Huxley, ontbreekt daartoe (in 1959) een praktisch en goedkoop oraal in te nemen middel. De ‘pil’ werd twee jaar later uitgevonden – of eigenlijk heruitgevonden want er was al een pil op de markt, maar die had te veel schadelijke neveneffecten – door de Belg Ferdinand Peeters. Het heeft echter niet mogen baten: we zitten nu al op meer dan 7,5 miljard. Een blik op de worldometers leert dat voor elke mens die sterft er 2,5 kinderen worden geboren.

De wereldbevolking is maar één probleem. Haarfijn beschrijft Huxley de pijnpunten die ons vandaag maar al te vertrouwd in de oren klinken: uitputting van de natuurlijke grondstoffen, vervuiling… En dan houdt hij nog niet eens rekening met de klimaatverandering – hoewel die toch al gesignaleerd werd in het begin van de 20ste eeuw.

Een Nieuw-Zeelandse regionale krant in 1912

Aldous Huxley: ‘Wellicht zouden we dan een politiek zien die op lange termijn heel wat zinniger is dan die welke nu door alle partijen wordt gevoerd - op lange termijn gezien een monsterachtig onbetekenend, frivool en onverantwoordelijk gefiedel tijdens de brand van Rome. We rommelen rustig voort met onze verschrikkelijke nationalistische machtspolitiek, terwijl het fundamentele probleem is of de menselijke soort, zo snel als die zich nu uitbreidt, hoe dan ook kan overleven, zelfs in de meest bescheiden levensomstandigheden - en wat we moeten doen om de wereld in een aanvaardbare staat aan onze achterkleinkinderen of misschien zelfs onze kleinkinderen te kunnen doorgeven. Helaas hebben we een kans gemist en heeft er nooit aan het hoofd van een grote staat een man gestaan die gewend was biologisch te denken.’

In de lezing ‘De toekomst van de wereld’ onderzoekt Huxley de houdbaarheid van het vooruitgangsoptimisme. Twee wereldoorlogen, de evident nadelige nevenwerkingen van de industriële revolutie en de technische mogelijkheid voor de mens om met een atoomconflict ‘het plotselinge en catastrofale einde van de wereld, waarover de apocalyptische literatuur spreekt’ zelf ter hand te nemen, stemmen al heel wat minder optimistisch. Huxley twijfelt aan de haalbaarheid van het creëren van één wereldstaat, misschien wel de enige redelijke manier om het gevreesde conflict definitief te vermijden. De kortetermijnbelangen van staats- en bedrijfsleiders werken een dergelijk samengaan tegen. Alleen een externe bedreiging kan ervoor zorgen dat alle mensen samenspannen. Zou het kunnen dat de mensheid de ‘overbevolking, overorganisatie en overtechnocratisering’ als een externe bedreiging leert zien? Misschien is het mogelijk om ons, door ‘het juiste onderwijs en de juiste propaganda’, te doen inzien dat wij ‘in werkelijkheid permanent bedreigd worden door een groot gevaar en het zeer in ons belang is de handen ineen te slaan om dit gevaar te keren’. Huxley voelt in 1959 in elk geval aan dat cruciale tijden aanbreken. Hij is ervan overtuigd dat ‘de komende honderd jaar in sterkere mate bepalend zullen zijn voor de mensheid als geheel dan welke andere eeuw ook’.

De bundel Het menselijk bestaan bevat nog interessante beschouwingen over onder meer de relatie tussen individu en gemeenschap, de persoonlijke identiteit (verhouding geest-lichaam, het ik, het onbewuste en dergelijke), taal, kunst, religie en mystiek.

maandag 12 juni 2017

1.1.1. Johanna Kint, Expo 58 als belichaming van het humanistisch modernisme (2001)




Lieven de Cauter: ‘In de naoorlogse tentoonstellingen overheerst de optimistische kitsch.’ Expo 58 was de eerste naoorlogse wereldtentoonstelling. Er heerst een ‘gezwollen toon’, ‘ook de ambitie om alles te bevatten en te overzien, maar het werkt niet meer. (…) Het totaalbeeld biedt weinig meer dan een willekeurige opeenvolging van fragmenten, die met de fysieke impact van visuele shocks op de toeschouwer worden losgelaten (zoals later in de videoclip). Met de versplintering van het overzichtelijke, controleerbare en verrukkelijke panorama van de wereld werd ook het beeld van de probleemloze vooruitgang verbrijzeld.’


Johanna Kint, Expo 58 als belichaming van het humanistisch modernisme (2001)

Johanna Kints lijvige boek, een doctoraalscriptie, gaat niet alleen over de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, maar eigenlijk vooral over de filosofisch-ideologische achtergronden ervan. Zij ziet ‘Expo 58’ – net als andere wereldtentoonstellingen ervoor en erna – als een veraanschouwelijking van de op dat moment in de geschiedenis heersende ideeën. De centrale vraag met betrekking tot Expo 58, de eerste Wereldtentoonstelling na de Tweede Wereldoorlog, is uitermate boeiend: hoe was een dergelijke manifestatie van ongebreideld vooruitgangsgeloof mogelijk, amper dertien jaar na een halve eeuw van absolute humanitaire debacles? Het antwoord op die vraag moet het hebben over de ideologische strijd die eraan voorafging. Enerzijds was er een wat je zou kunnen noemen pessimistische strekking, met onder meer George Orwell en Aldous Huxley, de visionaire auteurs van dystopieën als 1984 en Brave New World die geen al te hoge pet op hadden van de mensensoort. Julian Huxley, de oudere broer van Aldous, was dan weer een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de optimistischere kijk die daartegen in stelling werd gebracht. Hij bepleitte een ‘evolutionair humanisme’, dat kan worden samengevat als een door Darwin geïnspireerd ‘geloof’ dat, dankzij wetenschap en technologie, de mensheid erin zal slagen om alle problemen te overwinnen waarmee zij zich geconfronteerd ziet. Een ‘geloofsgenoot’ van Julian Huxley, maar dan wel degelijk in de sfeer van ‘het geloof’, was Teilhard de Chardin (die niet uitvoerig door Kint wordt belicht, hoewel hij in de Lage Landen en zeker in de francofone wereld zeker een veel grotere invloed had).

De optimistische strekking haalde het bij de organisatoren van de Wereldtentoonstelling van 1958. De vraag is natuurlijk hoe dat mogelijk was… Wellicht sloot het aan bij de aard van het beestje, dat zorgeloosheid prefereert en dat, laat ons vooral dat niet vergeten, zo snel mogelijk de gruwelen van de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, de crisis van de jaren dertig, het uit Duitsland naderende nationalistische onheil, de tweede bezetting in een kwarteeuw, de ontbering, de ontdekking van de gruwel, de collaboratie, de epuratie en het eerste grauwe decennium na de Bevrijding, met uiteraard de escalerende Koude Oorlog als kers op de taart, wilde vergeten, en zich in de plaats daarvan maar wat graag opende voor een als hoopvol afgeschilderde toekomst vol nieuwe avonturen (ruimtevaart, kolonisatie, medische innovaties, transport, snelheid, communicatie, enzovoort), waarvan de glinsterende uitbeeldingen op de Heizelkermis de hoofdmoot vormden (Atomium, ‘Pijl van de Burgerlijke Bouwkunde’, Spoetnik, Expo-ster...). Aan die uitbeelding, zeg maar de vormgeving van de vooruitgangsideologie, besteedt Kint heel wat aandacht, met de focus op de architectuur van Expo 58.


De voorkeur voor goed nieuws is niet de enige verklaring voor het succes van Expo 58. Het Heizelfeest was zeker ook een vorm van zelfbezwering. De snelle technologische ontwikkelingen, onder meer de atoomenergie, zorgden voor ongerustheid. Bovendien was het demografische probleem ook al uitdrukkelijk gesteld. Expo 58 was geen viering van het vooruitgangsoptimisme, maar een pleidooi ervoor. Expo 58 moest de hoop uitdrukken ‘dat miljoenen mensen, die de crisis van de moderne wereld aanvoelen, gezamenlijk streven naar een nieuw humanisme dat aangepast is aan de realiteit en aan de eisen van deze tijd’. Kint citeert hier Charles Everarts de Velp, secretaris-generaal van het commissariaat-generaal der Tentoonstellingen’. Zij laat ook een publicatie (affiche?, folder?) van de organisatie reproduceren, waarop behalve het logo van Expo 58 ook, onder de in kapitalen gezette kop ‘De wereld opbouwen voor de mens’, in een korte tekst gewag wordt gemaakt van ‘Onze tijd’, die ‘de mooiste uit de geschiedenis van het mensdom’ zou zijn. Alles ligt klaar ‘om voor de mens het huis te bouwen naar zijn wens’. Maar dan volgt de aarzeling: ‘Edoch… kent de Mens zichzelf wel, is hij zich bewust van de goddelijke waarde van de Mens?’ Waarna, bij wijze van besluit, ‘de opdracht van de Volkenvergadering te Brussel in 1958’ wordt aangegeven: ‘deze millioenen (sic) mensen het besef bijbrengen van wat zij zijn, van wat zij kunnen’. Expo 58 ging dus niet uit van een vanzelfsprekend glorieuze toekomst maar leek zichzelf daarvan te willen overtuigen.

De implicaties van de overwinning van de ideologie van het vooruitgangsoptimisme van Julian op de sombere visie van Aldous zijn uiteraard vérstrekkend. We waren vertrokken voor meer dan een decennium verdoving, tot het in de vroege jaren zeventig bruusk ontwaken was met het Rapport van de Club van Rome en de oliecrisis, die duidelijk maakten dat er blijkbaar grenzen aan de groei waren. Ondertussen begon de bevolkingsexplosie, die overigens al door Julian Huxley als een van de aan te pakken – en via eugenetica aanpakbare – problemen was aangekaart, aardig de pan uit te swingen. Nog eens bijna een halve eeuw later weten we blijkbaar nog altijd niet helemaal precies hoe laat het is.

Ronduit schokkend is de vaststelling hoe weinig aanwezig het ecologisch besef was in die vroege vooruitgangsbespiegelingen – althans niet voor zover ik voor deze vaststelling op de resumés van Kint kan betrouwen. Het is zeker niet zo dat de wetenschappers nog geen besef hadden van de gevaren van een doorgedreven industrialisering, in combinatie met een uit haar voegen barstende demografie. Zelfs bij kernenergie werden al vroeg vraagtekens geplaats. Zo stond in het Winkler Prins Jaarboek van 1959 te lezen: ‘Het probleem van de radioactieve afval is nog niet opgelost’. Maar de natuur was in 1958 nog geen issue. De eindige beschikbaarheid van de grondstoffen, de koloniale uitbuiting en de toenemende vervuiling van het milieu waren dat evenmin. Het thema van de Wereldtentoonstelling was: ‘de relatie tussen mens en technologie’ – met als achterliggende gedachte uiteraard: ‘hoe komt de technologie de mens, die onbetwist het belangrijkste dier is, ten goede’? De basisideologie van Expo 58 kan dan ook omschreven worden als een ‘modernistisch sprookje’.

Dat bijvoorbeeld het kolonialisme al lang voor er van dekolonisatie sprake was ter discussie stond, blijkt bijvoorbeeld in het autobiografisch essay van George Orwell, ‘Een olifant omleggen’. Daarin kijkt de auteur vol schuldgevoel terug op zijn periode in Birma in dienst van de imperialistische Britse politiemacht. Het is, wat dekolonisatie betreft, overigens na 1958 wel heel snel gegaan. Op de Heizel was men absoluut nog niet bezig met de op til staande gebeurtenissen in Congo.

Kort na 1958 begon ook op het vlak van milieubesef het tij te keren. Meestal wordt het Rapport van de Club van Rome van 1972 als keerpuntdocument aangewezen, maar het ecologische besef was toen toch al een tijd op gang gekomen. Ik citeer uit voetnoot 7 bij het laatste hoofdstuk over de Wereldtentoonstelling van 2000 in Osaka: ‘Voor velen is Rachel Carsons Silent Spring van 1960 het beginpunt van de zorg om het mondiale milieu. Zeker is dat die zorg tien jaar later de hoogste toppen van de wereld heeft bereikt met onder meer de Wereldmilieuconferentie te Stockholm, georganiseerd door de Verenigde Naties in 1972. Uit de documenten van deze conferentie en het Rapport van de Club van Rome blijken omvang en ernst van de milieuvraagstukken, alsmede het mondiale karakter ervan, overduidelijk: verzuring van bossen en meren in Scandinavië en Canada baarde al sinds de Tweede Wereldoorlog zorgen; de afbraak van het tropisch regenwoud kwam toen ook al voor op de lijst van de natuurbescherming; het broeikaseffect en de mogelijkheid van een klimaatsverandering is al sinds het begin van deze eeuw bekend en de ozonlaagaantasting werd reeds in 1974 manifest.’ De eeuw waarvan sprake in verband met het broeikaseffect is wel degelijk de twintigste, de vorige dus.

zondag 21 mei 2017

1.1. Lieven de Cauter, Archeologie van de kick

1. Theodor W. Adorno, Minima Moralia  
Adorno beschrijft de met het ontstaan van de ‘moderniteit’ samenvallende metamorfose die het begrip ‘sensatie’ heeft ondergaan: ‘Bij Locke betekent het de eenvoudige, onmiddellijke waarneming, het tegenovergestelde van de reflectie. Daaruit is later de betekenis van het grote onbekende ontstaan en ten slotte die van het massaal opwindende, de destructieve exaltatie, de schok als consumptieartikel.’


Lieven de Cauter, Archeologie van de kick (1985)


Een van de grote en spectaculairste manifestaties van het vooruitgangsoptimisme was de wereldtentoonstelling. Op een beperkte ruimte probeerden de believers – en toen was zowat iedereen dat – een overzicht te bieden van wat er in alle landen en culturen van de wereld, voor zover die natuurlijk vanuit het westerse, kolonialistische en rationeel-ordenende perspectief al was verkend, voorhanden was. Zeker de eerste wereldtentoonstellingen waren een uiting van een niet ter discussie gesteld vertrouwen in technologie en wetenschap, die al het wereldse als in principe ontginbaar voorstelden. The Great Exhibition van 1851 moest ‘een waarheidsgetrouw verslag en beeld opleveren van het punt van ontwikkeling, waarop de mensheid als geheel is aanbeland’. Alle machines waren er te zien die de grondstoffen moesten opdelven, transporteren en verwerken, en alle producten, de meest gesofisticeerde en verfijnde voorop, die eruit werden vervaardigd. Maar het overzicht was het belangrijkste – en achter dat overzicht uiteraard de vooronderstelling dat dit overzicht mógelijk was, en het perspectief evident, en dat er een duidelijke horizonlijn was, die niets minder dan de perfecte voltooiing kon zijn. De waarheid was één en ondeelbaar, de ratio de enige manier om haar aan het licht te brengen. Totale transparantie en volledig overzicht waren mogelijk – en dat vertaalde zich in de architectuur van de eerste universele expo’s, met het Crystal Palace in Londen respectievelijk het door Frédéric Le Play ontworpen Palais du Champ de Mars voor de Exposition Universelle van 1867 in Parijs als paradigmatische voorbeelden.


Het moet historisch aantoonbaar zijn dat de organisatie van de eerste wereldtentoonstelling (Londen, 1851) samenvalt met de eerste twijfels. Karl Marx schrijft in datzelfde jaar: ‘De bourgeoisie viert haar grootste feest op een moment dat de volledige ineenstorting van haar glorie nabij is, een ineenstorting die duidelijker dan ooit tevoren aantoont hoe de krachten die ze heeft voortgebracht boven haar mogelijkheden zijn uitgegroeid.’ Het lijkt logisch om in de organisatie niet alleen een kritiekloze uiting van triomfalisme te zien, maar ook de aanzet tot een poging om alles alsnog bijeen te houden. Zolang het overzicht evident is, bestaat er geen nood aan een schema.

Lieven de Cauter beschrijft in het essay ‘De panoramische extase’ hoe de optimistische en alomvattende blik die de eerste wereldtentoonstellingen kenmerkte desintegreert, tot er uiteindelijk niet veel meer overblijft dan het holle en glitterende spektakel van het pretpark. Waar de wereldtentoonstellingen aanvankelijk pedagogische ondernemingen waren die het fragmentarische en de veelheid leken te ontkennen, eindigt deze instelling roemloos als het late opflakkeren van een in brokken gevallen project, als de nagloed van wat oorspronkelijk een verblindend vreugdevuur was.

Op die manier zou de veranderende morfologie van de wereldtentoonstellingen, vanaf 1851 tot vandaag (Astana!) kunnen worden geïnterpreteerd als een veraanschouwelijking van de ontwikkeling van modernisme naar postmodernisme, met een veranderende appreciatie van het nieuwe (volgens Baudelaire ‘dat wat in feite niet kan ervaren worden’) en vreemde als belangrijk symptoom. Ook de tentoonstellingsesthetiek draagt hiervan de sporen – al moet gezegd dat de transformatie van de steeds immateriëler wordende technologie, van grote en spectaculaire machines met aandrijfassen en vliegwielen tot de schier onzichtbare elektriciteit en elektronica, de organisatoren heeft doen grijpen naar in hoofdzaak nostalgische evocaties van de vroegere fascinatie voor snelheid en beweging in de vorm van treintjes en zweeftoestellen – ‘duizeling zonder meer’. De ‘esthetiek van de plechtige, pompeuze zelfverheerlijking’ verglijdt naar een ‘esthetiek van de illusie’. De eenheid is zoek, het Grote Vooruitgangsverhaal gedeconstrueerd, de bezoeker wordt blootgesteld aan een bombardement van visuele en tactiele impulsen. Het gevolg is: ervaringsarmoede, verstrooiing, verveling.

Lieven de Cauter klinkt dan ook streng over ‘onze’ Expo 58: ‘In de naoorlogse tentoonstellingen overheerst de optimistische kitsch.’ De ‘ambitie om alles te bevatten en te overzien’ is er nog wel, ‘maar het werkt niet meer’. ‘Het totaalbeeld biedt weinig meer dan een willekeurige opeenvolging van fragmenten’ en tegelijkertijd blijkt ‘ook het beeld van de probleemloze vooruitgang verbrijzeld’. Het besluit luidt dan ook: ‘De wereld is onherroepelijk “onoverzichtelijk” geworden.’

*

Het verlangen naar overzicht hebben wij, vermoeide westerlingen, leren kennen als een infantiele drijfveer. Wie werkelijk nog denkt dat hij een ‘totaaltekst’ (Daniël Robberechts) kan schrijven, plaatst zichzelf buiten de tijd. Maturiteit vraagt het vermogen om met een onherroepelijke verbrokkeling om te gaan. Het bestaan is gebroken, het hart eventueel ook, er groeit eelt op de ziel.

Er zou een parallel kunnen worden ontwaard tussen de volwassenwording van een beschaving – en de onze is oud – en die van een individu. Eigen aan kinderen is dat ze niet twijfelen aan het overzicht dat ze hebben in hun beperkte wereld. Zij aanvaarden geen verstoringen, en als zij nieuwsgierig zijn naar het nieuwe, verlaten zij node de comfortzone van het bekende. Wanneer zij dan toch tot het inzicht komen dat de wereld ruimer is, kan een in wezen conservatief verlangen naar overzichtelijkheid ontstaan – maar dan is het al te laat. Ik herinner mij zelf zoiets te hebben ervaren. Toen ik een jaar of tien, elf was – zo herinner ik mij nu – besefte ik dat als ik niet meteen alles wat ik mij herinnerde zou opschrijven, alles uiteindelijk zou verdwijnen. Ik schreef niet alles meteen op (er moest te veel gelééfd worden) en de jaren die volgden werden gekenmerkt door spijt over en later een toenemende berusting in het feit dat alles definitief niet-recupereerbaar werd. Wat overbleef, was een sprokkeltocht langs fragmenten en het opzoeken van aangename sensaties. 

maandag 15 mei 2017

1. Theodor W. Adorno, Minima Moralia

Deze verzameling korte filosofische essaytjes, meestal niet langer dan twee bladzijden, schreef Adorno tussen 1944 en 1947, in ballingschap in de VS. Ze zijn vaak aartsmoeilijk, op het onbegrijpelijke af – het is alsof je hermetische poëzie aan het lezen bent. Ik moet er meteen aan toevoegen dat het de eerste keer is dat ik iets van Adorno lees en dat ik mij nooit eerder heb verdiept in zijn filosofie – of laat me zeggen dat ik nooit veel verder geraakte dan zijn uitspraak over ‘poëzie na Auschwitz’. Achter de woordenbrij – met dubbele betekenislagen en binnenstebuiten gekeerde logica (Negative Dialektik!) – onttrekt een uitermate complexe gedachtewereld vol idiosyncrasie zich aan mijn begrip. En dan krijg je passages die ook na vier keer lezen hun geheim niet prijsgeven. Je vraagt je op den duur af of er zich achter dergelijke grammaticale en lexicale acrobatieën nog wel een geheim ophoudt. En kijk, voor je het weet heb je een adornoïaanse vraag gesteld.

Maar als je deze moeilijke passages snél leest, diagonaal zelfs, en niet ingaat op elk woord of begrip dat niet meteen helder is, gebeurt er iets vreemds. Dan krijgen deze teksten een ritme, een muzikale kwaliteit. Dan krijgen ze ook een andere bestemming: je leest ze niet meer als filosofische gedachtenspinsels, maar als poëtische composities, waarvan de kwaliteit eerst en vooral esthetisch is. Wanneer je op die manier leest, kom je – een beetje alsof je in een filiaal van De Standaard Boekhandel aan het ronddwalen bent – op het punt te staan om iets ruimers te vatten dan alles wat je voorheen ooit hebt menen te moeten zoeken, en je beseft dat Adorno’s denkwereld exponentieel veelomvattender is dan deze waarmee je doorgaans zelf vrede moet nemen. Dat maakt weemoedig omdat je weet dat het leven te kort is, en je verstand te beperkt, om ooit deze ideeën te kunnen bevatten.

Dat is jammer. Maar dan zijn er weer van die hoofdstukjes die ongemeen helder zijn, en verbluffend profetisch. Zoals – willekeurig voorbeeld – hoofdstuk 38, ‘Uitnodiging tot de dans’. Dat nog geen anderhalve bladzijde tellende stukje zou ik als volgt kunnen parafraseren: het gaat over het hedonisme dat gepropageerd wordt door ‘de alomtegenwoordige reclame’ en de psychoanalyse. Deze laatste ‘laat zich erop voorstaan dat ze de mensen hun vermogen tot genieten teruggeeft’. Want inderdaad: de mensen zijn dat vermogen kwijtgeraakt door neuroses, verdringing, regressie en wat valt er allemaal niet te begeven in de freudiaanse keuken. Maar het fundamentele probleem, ‘het steeds verder ineenschrompelende domein van de ervaring’ (en dan bedoelt Adorno een authentieke, nog niet door overprikkeling aangetaste ervaring), pakt de psychoanalyse niet aan. De bevredigingen die reclame en psychoanalyse aanreiken, zijn ‘schijnbevredigingen’. De logica en de retoriek daarachter hebben in de tijd waarin Adorno deze bedenkingen opschreef, kwalijke uitlopers gekend: ‘er loopt een rechte weg van het evangelie van de levensvreugde naar de bouw van mensenslachthuizen, zo ver in het achterland van Polen, dat ieder van de eigen volksgenoten zich kan wijsmaken dat hij de kreten van pijn niet hoort.’