woensdag 16 augustus 2017

1.1.1.3. Marc Sleen, De pax-apostel (1958)


1.1.1. Johanna Kint, Expo 58 als belichaming van het humanistisch modernisme →

Ik ben te jong om zelf op de Wereldtentoonstelling van 1958 te zijn geweest, maar via dit stripverhaal, waarin Marc Sleen niet alleen het blitse vooruitgangsoptimisme van die jaren evoceerde maar ook zijn kijk gaf op de Koude Oorlog die toen volop woedde, heb ik er een tiental jaar later toch van geproefd.

1.1.1.3. Marc Sleen, De Pax-apostel (1958)

Nero maakt zich druk over het feit dat iedereen met raketten bezig is. Petoetje ‘leutert’ over ‘ballistische raketten, kunstmanen, spoetniks en satellieten’, en Petatje speelt met een raketmodel dat duidelijk knipoogt naar de raket waarmee Kuifje in 1953 naar de maan reisde. Madame Pheip maakt zich zorgen over de wapenwedloop, en meneer Pheip komt thuis met het boekwerk Les spoet et les nics. Nero, ‘mottig’ geworden van deze eenzijdige preoccupatie van zijn huisgenoten met alles wat met raketten te maken heeft, scheurt koleirig het nochtans lijvige boek in twee stukken. Hij gaat in de tuin een luchtje happen. Daar valt een bloempotachtig recipiënt uit de lucht, recht op Nero’s hoofd natuurlijk. Uit een gat stijgt een Aladinachtige geest op: ‘Jef, het Wereldgeweten’. Nero is de kluts kwijt: ‘Ik snars er geen snap van. Ik bedoel ik snap er geen snars van.’ Jef draagt Nero op om een rotsblok van de top van de Jungfrau te hakken en ‘ook zoiets’ van de bodem van de Caraïbische Zee op te rapen en deze beide stukken steen samen volgens een nog te overhandigen recept te smelten, en om van het aldus verkregen papje een grammofoonplaat te persen. Al wie de muziek die daarop moet komen te staan zal aanhoren, zal vredelievend worden en zo zal ‘sterveling’ Nero ‘het aanschijn der aarde’ kunnen veranderen. Een vredesmissie, voorwaar! Nero zal op die manier ‘de redder der mensheid’ worden! Nadat hij op de Jungfrau door een gems in de afgrond is geduwd en op diezelfde berg door een Zwitserse agent is bekeurd omdat hij die gems van hetzelfde laken een broek aanmat, wordt dan toch de top bereikt en kan de door Jef het Wereldgeweten gevraagde steenblok van ongeveer 1 kilogram worden meegenomen. Beneden breekt meneer Pheip en passant nog het wereldrecord schansspringen, maar hij loopt daarbij wel een vreselijke verkoudheid op. Het eerste deel van de missie zit erop. Op naar de Caraïben. In het vliegtuig stoort het niezen van meneer Pheip de piloot zodanig dat deze uit het vliegtuig stapt. Geen nood, Nero neemt de stuurknuppel over en zet de DC 29 veilig aan de grond op een niet nader bepaald Caraïbisch eiland. Na met behulp van een hamerhaai een stuk rots te hebben afgebikt en nog enkele avonturen, die er eigenlijk, zoals meestal in de verhalen van Nero, niet echt toe doen, kan onze pax-apostel ook dit tweede onderdeel van zijn missie met succes afronden. Nu moet hij de stenen smelten. Gelukkig kan hij daarvoor op de hulp van Petoetje en Petatje rekenen. Madame Nero vindt dat haar man het te bont maakt en vertrekt naar haar moeder. De muziek wordt in de in een koekenpan vervaardigde schijf geperst met behulp van een plaat uit Nero’s collectie: ‘een gezellig walsje uit mijn jonge tijd’, zegt hij met verzaligde glimlach op de lippen. Petoetje fungeert als proefkonijn. Wanneer hij de – affreuze (‘nog erger dan Elvis Presley’) – klanken hoort die uit de grammofoon komen, vertoont hij opvallend vredelievende neigingen: het recept van Jef het Wereldgeweten werkt! Maar nu volgt een nieuwe fase in Nero’s missie: hij moet ervoor zorgen dat iedereen de plaat te horen krijgen. En ja, waar kan hij daarvoor beter zijn dan in het Flageygebouw, waar toen nog de nationale omroepen gehuisvest waren? Hij besluit ‘Vlaams Brussel’ over te slaan omdat de Vlamingen al vreedzaam genoeg zijn: ‘Sinds 1302 zijn ze in slaap gevallen.’ En waarom ook niet naar de Expo gaan? Dat is evengoed in Brussel, en heel de wereld komt er samen! Maar dat valt niet mee: er is zoveel volk dat Nero wordt weggedrumd, niemand hoort zijn muziek. Gelukkig loopt hij daar niemand minder dan Chroesjtsjov tegen het lijf, die hem meeneemt naar Moskou. Nero kan er zijn plaat draaien op de 1 mei-optocht op het Rode Plein en in de Opperste Sovjet. Het resultaat is overweldigend: in zijn eentje is Nero erin geslaagd een eind te maken aan de Koude Oorlog. Of toch niet? Neen, er bleek één dove apparatsjik in de zaal te zitten, en die springt natuurlijk in het machtsvacuüm dat is ontstaan nadat al zijn collega’s door Nero’s muziek vredelievend zijn geworden. Nero belandt in de bak en zucht: ‘Met de Russen zal nooit iets te beginnen zijn. Er zal altijd EEN dove onder hen zijn.’ Hij weet, door met behulp van zijn muziek zijn bewaker te vermurwen, uit de gevangenis te ontsnappen, en na interventie van de Belgische ambassadeur, die uiteraard Frans spreekt, wordt hij per diplomatieke koffer naar België gestuurd. Waar hij, in het gezelschap van zijn familie en vrienden, zijn plaat in de pronkkast zet en concludeert: ‘’t Ligt aan de mensen zelf of ze goed en vredelievend willen zijn. Je kunt het hen niet opdringen.’

De editie waarover ik beschik, is een herdruk uit een niet gespecificeerd jaar (ik kocht de strip in 1982). Het gaat om een verminkte editie want de uitgever vond het, onder druk van de toenmalige taalpolitie, nodig om de Sleeniaanse Vlaamsigheden uit de oorspronkelijke tekst weg te zuiveren en om te buigen tot een min of meer correct of begrijpelijker geacht Nederlands. Zo werd de titel, zoals hij nog op het voorplat prijkt, op de titelbladzijde omgezet in De vredes apostel (sic). Ja, het woord ‘pax’ is Latijn en zou wel eens voor vele kindertjes Latijn kunnen zijn. De taalepuratie gebeurde zonder veel respect voor de typografie – nochtans een belangrijk onderdeel van de Sleen-grafiek. In strook 122 moet de corrector zelfs tot buiten de tekstballon treden om van – vermoedelijk – ‘speelplaat’ ‘grammofoonplaat’ te maken. De ingrepen verlopen jammer genoeg ook niet foutloos. Zo werd in strook 109 de – vermoed ik – oorspronkelijke, door Madame Pheip uitgesproken tekst ‘Wel, wat zegt ge daar van: hoe vindt ge meneer!!’ omgebogen tot: ‘Wel, wat zeg je daar van: hoe vindt je meneer!!’ Gelijkaardige dt-fouten zijn, na de vervanging van ‘ge’ door ‘je’, terug te vinden in strook 142 (‘Wel, hoe vondt je de plaat?’), strook 151 (‘Hebt je je bezeerd, Nero?’) et j’en passe.

zaterdag 15 juli 2017

1.1.1.2. George Orwell, De boerderij der dieren (1945)



Johanna Kint, Expo 58 als belichaming van het humanistisch modernisme →

Johanna Kint ziet in de Wereldtentoonstelling van 1958 een opflakkering van de optimistische vooruitgangsideologie, die het nog één keer haalt van het defaitisme na de Tweede Wereldoorlog (mét Shoah en atoombom) en van de verontrustende dystopieën van onder meer Aldous Huxley en George Orwell. De roman 1984 vormde samen met De boerderij der dieren (Animal Farm) een tweeluik waarmee Orwell op het eind van zijn leven zowel de ontsporende westerse beschaving als het linkse totalitarisme viseerde.

→ 1.1.1.2. George Orwell, De boerderij der dieren (1945)

Hoe lovenswaardig ook de ideeën zijn waarop een regime zich baseert, gelijkheid blijft een illusie, waarheid is een zeer kneedbare aangelegenheid, de belangen van het individu botsen met die van de gemeenschap, er is altijd een logge, domme, inerte, manipuleerbare massa waarop de elite haar macht baseert. Op Orwells dierenboerderij leveren de schapen de domheid die elke dictatuur nodig heeft om zich te vestigen en te handhaven. Mits de nodige propaganda, ritualisering, mythevorming, indoctrinatie en intimidatie kun je ze om het even wat laten blaten – als het nodig is doe je ze geloven dat de aarde plat is. Herhaaldelijk brengt Orwell de blaters in beeld – en wij herkennen onszelf maar al te goed, bijvoorbeeld in de manier waarop wij met onze mainstream media omgaan. Op bladzijde 60: ‘(…) eigenlijk waren zij het altijd eens met degeen die aan het woord was’. Op bladzijde 68: ‘(…) Sultan sprak zo overredend en de drie honden, die hij toevallig bij zich had, gromden zo dreigend, dat zij zijn verklaringen aannamen zonder verdere vragen te stellen.’

Niet alleen de domheid van de schapen is van belang voor de machthebbers, maar ook hun aantal. Zij vormen een allesbehalve kritische kritische massa, die alleen al door het aantal koppen en het volume dat zij met hun geblaat ontwikkelen de redelijke discussie, of de democratische besluitvorming, kunnen lamleggen. Op bladzijde 74 doorkruisen zij de opmerkingen die een viertal kritische varkens schuchter opwerpen: de vier varkens ‘werden onmiddellijk door een luid gegrom der honden tot stilzwijgen gebracht. Toen begonnen als gewoonlijk de schapen met een luid “Vier poten goed, twee poten slecht” en alle ongenoegen was weer gesust. Op bladzijde 102: ‘Ondanks hun bevreesdheid zouden wellicht toch enkele dieren hebben geprotesteerd, maar meteen begonnen de schapen weer als vanouds hun “Vier poten goed, twee poten slecht” te blaten, wat minutenlang aanhield en een einde aan de discussie maakte.’

Wanneer het de leiders zo uitkomt, leren zij de schapen ‘Vier poten goed, twee poten beter!’ te blaten. ‘Four legs good, two legs better’ – ja, de schapen kunnen dat in meerdere talen blaten.

vrijdag 14 juli 2017

1.1.1.1.2.1. W.G. Sebald, De natuurlijke historie van de verwoesting (2003)



Jörg Friedrich, De brand

Het standaardwerk van Jörg Friedrich over de geallieerde bombardementen op Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog belicht dit historisch feit onder meer vanuit het standpunt van de slachtoffers. Dat was in 2002, toen het boek verscheen, nog altijd geen gebruikelijk perspectief, getuige de quote van Joachim Fest op een van de flappen van de wikkel: ‘Dat Friedrich dit thema ter hand heeft genomen (…) toont eens te meer dat er onbegrijpelijke gaten zitten in de Duitse geschiedschrijving.’ Precies dat uitgangspunt, maar dan niet voor de geschiedschrijving maar wel voor de neerslag in bellettrie, neemt W.G. Sebald als uitgangspunt.

W.G. Sebald, De natuurlijke historie van de verwoesting

De natuurlijke historie van de verwoesting gaat over de manier waarop de Duitse naoorlogse literatuur is omgesprongen met de geallieerde vergelding, in de vorm van massale bombardementen op vrijwel alle Duitse steden – of beter gezegd: de manier waarop de Duitse literatuur, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, daar niet is mee omgesprongen. Een van die uitzonderingen, door W.G. Sebald genoemd, is Der Engel schwieg van Heinrich Böll, kort na de oorlog geschreven door Heinrich Böll. Bölls uitgever achtte het echter niet opportuun om het boek meteen uit te geven vanwege ‘een overduidelijke afkeer bij het publiek […] van alle boeken die iets met de oorlog te maken hebben’ (geciteerd in het nawoord van Werner Bellmann bij de Nederlandse vertaling De engel zweeg (1992)). Het boek werd pas bijna een halve eeuw later, postuum, gepubliceerd.

Sebald geeft om zijn stelling te staven vele voorbeelden, onder meer dat van Victor Klemperer, een rechtgeaarde schrijver die niet, zoals vele anderen, voor ballingschap ‘koos’ maar thuis bleef, in Dresden, en die in februari 1945, enkele dagen na de verschrikkelijke bombardementen die zijn stad wegvaagden, in zijn nochtans nauwgezet en uitvoerig bijgehouden dagboeken alles bij elkaar vrij nuchter over het onvoorstelbare bericht: ‘Zelfs de dagboekaantekening van Victor Klemperer over de ondergang van Dresden blijft binnen de grenzen van de taalconventie.’

Sebald probeert dit fenomeen, dat de allure heeft van een collectieve verdringing, te verklaren. Niet alleen inhoudelijk is dat een zeer zeker interessant gegeven, bovendien getuigt Sebald hier nog maar eens van een superieur stilistisch meesterschap.

Mogelijk hebben sommige auteurs die de bombardementen hebben overleefd er niet over geschreven omdat zij zich erover schaamden daar nog aanwezig te zijn geweest terwijl vele van hun collega’s al lang de naziterreur waren ontvlucht. Dat lijkt Sebald te suggereren – hij doet dat zeer voorzichtig en met zorgvuldig gekozen bewoordingen. Of zij nu collaboreerden of hadden gekozen voor de zogenaamde innere Migration, blijkbaar konden zij toch niet in voldoende of in aanvaardbare mate getuigen van wat zij hadden meegemaakt. Maar er zijn ongetwijfeld ook psychische oorzaken, die te maken hebben met de omvang van de ramp: blijkbaar is het hoe dan ook moeilijk om te schrijven over ‘ervaringen die de grenzen van wat men aankan, overschrijden’.

De natuurlijke historie van de verwoesting bestaat uit twee delen. Het eerste is een essay dat is gebaseerd op colleges die Sebald in 1997 in Zürich gaf over het thema ‘Luchtoorlog en literatuur’, aangevuld met een reactie op de – soms heftige – reacties op die colleges: hij had blijkbaar ‘een gevoelige plek in de psychische huishouding van de Duitse natie geraakt’.

Het tweede is een portret van de schrijver Alfred Andersch, dat een illustratie wil zijn op de belangrijkste stelling van het eerste essay. Andersch was een van die schrijvers die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitsland zijn gebleven en voor wie het, aldus Sebald, ‘na 1945 dringender [was] om zichzelf te herdefiniëren dan om de reële omstandigheden om hen heen weer te geven’. Die herdefiniëring was aan de orde vanwege ‘de uiterst precaire positie die de auteurs innamen in een moreel vrijwel volkomen in diskrediet geraakte maatschappij’.

Als ik de belangrijkste stelling van het eerste essay, over de behandeling van de geallieerde bombardementen in de naoorlogse Duitse literatuur, hier met mijn eigen woorden zou proberen weer te geven, zou ik dat ongeveer als volgt doen:

Aangenomen dat literatuur altijd moet proberen een antwoord te bieden op de grote vragen van de eigen tijd, dan moet men toch vaststellen dat de Duitse literatuur van na de Tweede Wereldoorlog nooit of in elk geval nooit uitvoerig de kwestie van de geallieerde bombardementen op Duitse steden heeft gethematiseerd. Nochtans waren die bombardementen een ‘vernietigingsactie, die in de geschiedenis haar weerga niet kent’ (Sebald). De gevolgen van deze systematische vergelding bleven nochtans nog vele jaren zichtbaar in de dagelijkse werkelijkheid waarin toch ook die Duitse auteurs die er niet over schreven zich hebben bewogen.

Uiteraard was er geen tijd voor literaire reflectie: er moest wederopgebouwd worden, het Wirtschaftswunder eiste alle tijd en energie op. Het is zelfs zo dat de ‘totale vernietiging’ in het Wirtschafswunder-discours ‘niet zozeer [wordt] voorgesteld als het gruwelijke einde van een collectieve aberratie, maar meer als het eerste stadium van de succesvolle wederopbouw’. Dat is op zichzelf een aberratie: de op de toekomst gerichte blik verduistert de kennis van en de omgang met het (recente en zeer traumatische) verleden, en verhindert dus de verwerking ervan.

(In het opvullen van dat hiaat vond overigens Sebald zelf de zin en betekenis van zijn eigen schrijven. Zo bekeken, is dit essay over de – grotendeels – ontbrekende traumaverwerking ook een onrechtstreekse toelichting bij zijn eigen werk.)

Dat het trauma van de verwoesting niet werd verwerkt, wijst erop dat een collectief-psychologisch ‘verdringingsmechanisme’ aan het werk is geweest. Dat was een van de ‘voorwaarden voor het Wirtschaftswunder’, maar er waren er nog andere – en ik citeer Sebald, de meester van de genadeloze opsommingen: ‘de enorme investeringen van het Marshallplan, het uitbreken van de Koude Oorlog en de door de bommenwerpers met brute efficiëntie uitgevoerde sloop van verouderde industriële complexen, maar ook het in de totalitaire samenleving aangeleerde arbeidsethos dat geen vragen stelt, het logistieke improvisatievermogen van een overal bedreigde economie, de ervaring met het inzetten van zogenaamde gastarbeiders en het uiteindelijk slechts door weinigen betreurde verlies van de zware historische last die tussen 1942 en 1945 met de eeuwenoude woonhuizen en zakenpanden in Neurenberg en Keulen, in Frankfurt, Aken, Brunswijk en Würzburg in vlammen opging’. En dan is er nog de belangrijkste factor die tot de verdringing en dus ook tot het Wunder heeft bijgedragen: de ‘psychische energie, die ontspringt aan het door allen bewaarde geheim van de in de grondvesten van ons staatswezen ingemetselde lijken’. Schuldgevoel, met andere woorden. Een volk dat nog maar net enkele miljoenen onschuldigen ‘in kampen had vermoord en afgebeuld tot ze erbij neervielen’ vond het duidelijk niet opportuun om zich af te vragen of de geallieerde bombardementen wel zo ‘strategisch of moreel te rechtvaardigen’ waren. Bovendien lijkt het erop dat vele Duitsers nauwelijks protesteerden tegen de vergelding omdat ze vonden dat ze deze straf móesten ondergaan. Daarmee schaarden zij zich feitelijk achter Winston Churchill, die het, met betrekking tot de luchtoorlog, had over: ‘the shattering strokes of just retribution’.

Een van de mogelijke oorzaken van de ontoereikende traumaverwerking in de naoorlogse Duitse literatuur is alvast ook de gebrekkige informatievergaring. De precieze impact van de bombardementen was niet altijd meteen duidelijk. Er waren veel overdrijvingen aan de kant van de agressoren, en minimaliseringen aan de kant van de geagresseerden. Maar het gebrek aan juiste informatie over de omvang van de ramp had ook andere dan puur logistieke of propagandistische oorzaken. Het was vooral een kwestie van psychologie. Sebald schrijft: ‘De behoefte om meer te weten botste met de neiging om de zintuigen af te sluiten.’ De geluiden van het inferno, de aanblik van een verwoest verleden en van slachtoffers en ongedierte tussen het puin, de stank van wegrottende overblijfselen: je moet het niet alleen kúnnen maar ook wíllen registreren. Die waarnemingen waren overigens zo schokkend, dat het vermogen om ze zich te herinneren, als in een soort defensieve reflex, meteen werd ontregeld. En bovendien schiet de taal zelf tekort om het ongeziene te verwoorden. Sebald wijst op het veelvuldig gebruik van clichés als ‘de hel barstte los’. Maar hoe ziet de hel eruit? Misschien zo: ‘Overal lagen gruwelijk verminkte lichamen; op sommige flakkerden nog van die blauwachtige fosforvlammetjes, andere waren bruin of purperkleurig geroosterd en gekrompen tot een derde van hun natuurlijke omvang. Gekromd lagen ze in plassen van hun eigen, gedeeltelijk al afgekoelde vet.’

Ook schaamte was een motief om het spreken over de verwoesting zoveel mogelijk te vermijden. Het superieure Arische ras was tot in de kiem vernederd. De aanblik van wat overbleef van het Duizendjarige Rijk, dat maar twaalf jaar had geduurd, en van overlevers die in de meest primitieve omstandigheden nog vérder moesten proberen te overleven, was onverdraaglijk.

(Eenzelfde onvermogen tot spreken heeft ook vele overlevenden van de nazikampen getroffen. Ik probeer mij voor te stellen wat het is om eerst te moeten ervaren dat je de gruwel die je hebt overleefd niet kunt evoceren, om dan te moeten vaststellen dat wat je er toch van weet te vertellen niet wordt geloofd. Of niet wordt getolereerd. Zwijgen wordt dan de enige optie – en dat is precies wat vele overlevers hebben gedaan.)

Het onvermogen om te spreken over de verwoesting ging naadloos over in ‘het vermogen van mensen om te vergeten wat ze niet willen weten’. ‘Men besluit, aanvankelijk louter uit paniek, door te gaan alsof er niets is gebeurd.’

(Hier ligt wellicht een verklaring – maar Sebald suggereert dat niet – voor het welbekende adagium Wir haben es nicht gewußt. De Duitsers wisten het natuurlijk wel, maar ze wisten niet meer dat ze het hadden geweten. Ze waren het vergeten.)
[Hans Erich Nossack]

Hans Erich Nossack
Sebald memoreert de schrijver Hans Erich Nossack als een van de weinigen die wél de verwoesting op literaire wijze in kaart hebben proberen te brengen. Nossack verbaast zich ergens over het feit dat hij in een van de weinige niet getroffen wijken van Hamburg mensen gewoon koffie heeft zien drinken op hun terras. Alsof er niets aan de hand was. Net zo, weet Sebald, grepen de Duitsers opvallend snel terug naar de genoegens die de muziek (hún muziek) hun kon bieden. De puinhopen smeulden nog na, maar er werden toch al symfonische concerten georganiseerd.

(Mij deed dit denken aan de memorabele passages die Jorge Semprun wijdt aan de in zijn ogen onverdraaglijke nabijheid van Buchenwald bij dat centrum van westerse hoge cultuur, Weimar. Of aan de zich met het nationaal-socialisme encanaillerende Duitse filosoof Martin Heidegger, die op een boogscheut van een concentratiekamp zat te denken over het denkende denken.)

Sebald hekelt de neiging van enkele naoorlogse schrijvers om, geheel in de Duitse traditie die aan de ramp is voorafgegaan, de verwoesting te mythologiseren, onder meer door de honderdduizenden slachtoffers een bestemming te geven in een ‘valse transcendentie’ en meer van dat ‘symbolistisch geleuter’. Dan liever Hans Erich Nosack, aldus Sebald, die er dan toch, als een van de weinigen, in geslaagd is om op de juiste manier de verwoesting te beschrijven. Het gaat bij dat juiste schrijven om ‘de feiten op zich’, die onverbloemd, ‘zonder literaire kunstgrepen’, moeten worden weergegeven. En doordat een volledig overzicht van de verwoesting onmogelijk te geven is, moet de literaire schrijver zich richten op pregnante sprekende details. In dat verband moet worden vermeld dat Sebald een zekere Solly Zuckerman memoreert. In opdracht van het Engelse leger bezocht deze Zuckerman in opdracht van de Royal Air Force Keulen, kort nadat deze stad nagenoeg volledig met de grond gelijk was gemaakt. De Britten wilden natuurlijk weten hoe effectief hun manier van bombarderen was geweest. Zuckerman was zo aangegrepen door wat hij in Keulen, of in wat van die stad overbleef, had gezien, dat hij het plan opvatte om, los van zijn militaire opdracht, een verhaal te schrijven. Waar de militaire rapportage in het jargon van de Royal Air Force als genre ontoereikend was, zou een literaire vorm kunnen voldoen. Het is er echter nooit van gekomen. Sebald heeft Solly, ondertussen Lord, Zuckerman, in de jaren tachtig hierover ondervraagd en hij herinnert zich van dat gesprek het volgende: Zuckerman ‘herinnerde zich niet meer waar hij destijds precies over had willen schrijven. Hij had alleen nog het beeld in zijn hoofd van de zwarte dom die oprees uit de steenwoestijn, en dat van een afgerukte vinger die hij op een puinhoop had gevonden’. Door deze gespreksflard in zijn boek op te nemen, maakt Sebald alsnog het niet verwezenlijken door Zuckerman van zijn voornemen goed.